Jan Akkermans woont aan de Lage Ham in Dongen en kijkt uit over landelijk buitengebied tussen Dongen en Oosteind. Maar dat plezier wordt regelmatig bedorven door stankoverlast van een varkenshouderij op ongeveer 500 meter afstand.
Broers die het bedrijf runnen willen uitbreiden naar 7500 varkens. Akkermans pleit daarentegen voor een ander plan: in plaats van uitbreiding van de varkenshouderij zou op die locatie woningbouw moeten plaatsvinden. Volgens hem kan zo een oplossing ontstaan waar iedereen beter van wordt, ook de boer.
De rechtbank in Den Bosch heeft bepaald dat Noord-Brabant tot 1 februari 2027 niet mag handhaven op onderdelen van haar stallenbeleid. Veehouders hoeven daarom voorlopig geen maatregelen te nemen om aan de provinciale regels te voldoen. De zaak was aangespannen door boerenorganisaties ZLTO en Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV).
De provincie probeert de stikstofuitstoot terug te dringen door van veehouders met oudere stallen te eisen dat zij hun ammoniakuitstoot verminderen. Vorig jaar herzag Noord-Brabant haar aanpak en gaf boeren meer vrijheid om zelf maatregelen te treffen. Dit leidde tot kritiek vanuit de sector. De boerenorganisaties vonden de eisen onhaalbaar omdat het onduidelijk is welke stikstofmaatregelen het kabinet invoert en welke financiële steun beschikbaar komt.
De rechtbank geeft hen gelijk. Volgens het oordeel brengt de onduidelijkheid over landelijke regelgeving financiële risico's met zich mee. Boeren zouden veel geld kunnen uitgeven aan stalaanpassingen terwijl volgende jaar mogelijk blijkt dat andere maatregelen beter passen of dat zij gebruik kunnen maken van landelijke steunregelingen. Tot 1 februari 2027 mag de provincie daarom niet handhaven op twee onderdelen van de regels over ammoniakuitstoot uit stallen.
De rechtbank zet geen streep door het Brabantse stallenbeleid als geheel. De provincie blijft verantwoordelijk voor het halen van haar stikstofdoelen.
Rechter: Brabantse ammoniakaanpak overeind, tijdelijke pas-op-de-plaats bij handhaving
’s-Hertogenbosch, 22 oktober 2026 – De voorzieningenrechter heeft vandaag uitspraak gedaan in het kort geding over de Brabantse aanpak voor vermindering van ammoniakemissie voor de veehouderij. De rechter laat de Brabantse regeling in stand, maar oordeelt dat de provincie zich tot en met 1 februari 2027 moet onthouden van handhavingsmaatregelen op basis van de betreffende bepalingen uit de Omgevingsverordening.
De rechter ziet geen aanleiding om de Brabantse aanpak vermindering ammoniakemissie voor de veehouderij buiten werking te stellen. Daarmee blijft de provinciale aanpak om ammoniakuitstoot terug te dringen en natuurherstel mogelijk te maken overeind. Gedeputeerde Wilma Dirken (Stikstof): “De rechter laat de kern van onze aanpak overeind.
Dat is belangrijk, omdat de opgave om stikstofuitstoot terug te dringen en natuurherstel mogelijk te maken onverminderd blijft bestaan.” De voorzieningenrechter spreekt in het vonnis uit dat het te prijzen is dat de provincie verantwoordelijkheid heeft genomen voor het treffen van maatregelen gericht op vermindering van stikstofbelasting, in een periode waarin landelijke maatregelen uitbleven.
Tijdelijke pas-op-de-plaats
De rechter heeft geoordeeld dat ondernemers op dit moment nog te veel onzekerheid ervaren over onder meer financiële ondersteuning vanuit het Rijk en voorgenomen zonering rond Natura 2000-gebieden. Daarom mag de provincie tot en met 1 februari 2027 geen handhavingsmaatregelen nemen op basis van de betreffende emissienormen.
Dat betekent dat de provincie geen handhavingsbesluiten neemt maar wel blijft toezien op naleving van de regeling, zoals het indienen respectievelijk afhandelen van meldingen, het nemen van maatwerkbesluiten en het houden van toezicht. Ondernemers die voldoen aan de voorwaarden, kunnen de gemelde maatregelen ook gewoon uitvoeren.
Samenhang met landelijk1e aanpak
De uitspraak onderstreept het belang van een goede aansluiting tussen provinciaal en landelijk beleid. Er is wel enige verbazing over het oordeel van de rechter dat de provincie op voorhand rekening had moeten houden met de voorgenomen zonering en maatregelen die het Rijk in juli 2026 heeft aangekondigd. Deze waren uiteraard ten tijde van het besluit in december 2025 nog niet bekend.
Desondanks is er begrip dat de rechter het nemen van handhavingsbesluiten tot 1 februari opschort omdat de rechter de verwachting heeft dat er dan meer duidelijkheid is voor ondernemers. Dirken: “Ook wij hebben er belang bij dat ondernemers weten waar zij aan toe zijn. De komende periode blijven wij daarom nauw samenwerken met het Rijk, andere provincies en betrokken sectoren om hierover meer duidelijkheid te creëren. Als er meer duidelijkheid bestaat over de rijksregels, beoordelen wij of handhaving van de verordening kan worden hervat.”
Vervolg
De provincie analyseert het vonnis momenteel verder. Over eventuele verdere bestuurlijke of juridische vervolgstappen heeft het college nog geen besluit genomen.